Zaïre, adieu

Nu ben ik 45. Toen was ik 14 en verhuisde met mijn vader en zijn toenmalige vriendin naar Zaïre. In een tijd waar er nog geen Skype, Whatsapp, Facebook of wat dan ook digitaal bestond. Een foto was een foto, mislukt of niet. Contact had je via brieven of een krakende telefoonlijn, met vertraging, je zat per slot van rekening op een goede achtduizend kilometer verwijderd van je thuisland. Muziek kwam nog uit cassettes en kennis uit boeken. Alles ging zijn trage gang.

Ik had mezelf beloofd om er ooit een verhaal over te schrijven. Mijn moeder is ondertussen overleden, mijn vader bejaard en mijn grootmoeder 103. Onlangs bezocht ik haar, toen ze me zei “Als er iets is waarmee ik je kan helpen over toen, laat het maar weten!”

Over toen. Er is zoveel te vertellen over toen en al wat ik heb als houvast zijn de 4 fotoboeken, een map vol brieven, mijn herinneringen én die van mijn 103-jarige grootmoeder. En de juiste achtergrondmuziek. Hiermee ga ik de uitdaging aan om ons verhaal (noem het gerust avontuur, maar dat klinkt zo Kuifje-achtig) te vertellen.

Laat me vanaf het begin duidelijk maken dat de tijd toen anders was dan de tijd nu. Ik bedoel maar dat bepaalde woorden nu andere waarden hebben dan toen. Bijvoorbeeld het woord Zwarte. Dit had toen, in mijn veertienjarige ogen, niets racistisch, terwijl je vandaag de dag niet meer over Zwarte Piet mag spreken zonder op zijn minst streng bekeken te worden.

“Wat zijn jullie daar gaan zoeken?” Mijn vader had jaren in de Diamantsector in Antwerpen gewerkt. Door spijtige omstandigheden zat hij zonder werk. Een juwelier, die hij al lang kende, vroeg hem of hij het zag zitten om goud aan te kopen voor zijn zaak, in Zaïre. Gezien mijn vader heel wat ervaring had in deze materie, was dat geen probleem. Alles zou aangekocht worden met een officiële licentie én zijn vriendin en zoon mochten zeker meereizen.

Toen mijn vader me de vraag stelde of ik hem wilde vergezellen, was mijn besluit snel genomen. Waarom? Dat kan ik niet duidelijk uitleggen, maar wat ik wel met zekerheid kan zeggen is dat het een van de beste beslissingen is die ik mijn leven al genomen heb.


06/04/2019 Piano man, Billy Joel

Appendix

Dat is het nu net. We dachten ook dat steken in mijn buik te wijten waren aan de opwinding, de zenuwen voor de operatie. Maar dat was het dus niet.

Het zat zo: mijn vader vond het beter om preventief mijn blindedarm te laten verwijderen. Logisch, wie wil er nu in het hartje van Afrika, op honderden kilometers verwijderd van een hospitaal, waar je dan nog liever niet in terechtkomt, met een acute blindedarmontsteking af te rekenen hebben? Er werd een afspraak gemaakt met de chirurg. De avond voor de operatie werd ik opgenomen. Bij het binnengaan:

ik:”Da’s gek. Ik heb buikpijn.”
mijn vader:”Maak je geen zorgen, dat zijn de zenuwen.”

Ik probeerde de steken in mijn buik zo goed mogelijk te negeren, vertrouwde op mijn pa.

De namiddag na de operatie kwam de chirurg langs om te zien hoe ik het stelde. Nog een beetje dwaas. Dat was normaal, zei ze. Het verdovingsmiddel was waarschijnlijk nog niet volledig uitgewerkt.

“Herinner je je dat je vlak voor de operatie wakker werd?”

Hé ja, ik werd wakker. De koude, smalle tafel waarop ik lag, deed me denken aan een slagerstafel. Toen kotste ik de ziel uit mijn lijf.

“Je werd onpasselijk.”

Ze gaven me een kartonnen recipiënt, dat ik onder mijn kin moest houden. Zaten er niet zoveel draden en buisjes in mijn armen, dan was dat een eenvoudige handeling geweest, hoewel de narcose ook wel voor een mooie hindernis zorgde. Een tweede guts belandde zo goed en zo kwaad mogelijk in het niervormige opvangbakje. Ik was dus wakker geworden net voor mijn operatie. En nu?

“We vroegen je of het ging en of je tot 10 wilde tellen.”

Twee haalde ik net. Twee, zoals tijdens de speeltijd op de lagere school. “Twee!”, riep je als je even niet meer wilde meespelen, wanneer je genoeg had van tikkertje of om even op adem te komen.

“Uiteindelijk was de operatie niet preventief, maar eerder noodzakelijk. Je blinde darm was erg ontstoken, wel zo een 9 cm lang. Eigenlijk waren we er net op tijd bij.”

Dit was geen scenario dat je in een Afrikaanse context zou kunnen navertellen. En “twee” roepen werkte enkel op de speelplaats.

08/04/2019 Evidemment, France Gall

Vragen staat vrij

Bij mijn vader op de kamer hadden we de beste ontvangst. Hij hield het apparaat met beide handen vast. Het zag eruit als een gewone radio, met wat meer cijfers op het scherm. Je had maar aan de knop te draaien om het witte staafje in het scherm van links naar rechts te bewegen, om zo je gewenste post te ontvangen.

“Ben je zeker dat het vanavond is?” Hij had de juiste frequentie geselecteerd, maar er klonk een stem van een andere presentator.

“In haar brief stond duidelijk dat het vandaag was. Hoe laat is het?”

“Bijna acht uur.” zei hij.

“De uitzending begint pas om acht uur.”

We lagen met z’n drie op bed. Het stripverhaal dat ik las, kende ik ondertussen al uit mijn hoofd, net als de dertig andere die in de kast op mijn kamer stonden.

“Moeten jullie iets drinken?” G. stond op van bed. Ik vroeg een mimi orange en mijn vader een whisky-soda.

“Weet je wanneer je liedje volgt? Stond de afspeellijst in de brief?”

“Nee.”, zei ik afwezig. Hoewel ik al wist wat er zou volgen, de strip bleef me boeien.

het bed van mijn vader en G.

G. kwam binnen met onze drankjes en een schaaltje met nguba’s, geroosterde pindanootjes. Ze zette de plateau neer op bed, ging terug op haar plaats zitten en nam een slok van haar glas. De tune van de nieuwsuitzending speelde. De man van de nieuwsdienst bracht ons op de hoogte van de recentste gebeurtenissen. Het klonk allemaal interessant en tegelijk zo ver weg. Na het weerbericht en de herhaling van de hoofdpunten, kondigde een zeer herkenbaar nummertje het begin van het programma aan.

“…met Lutgard Simons…”. Bij het horen van die naam werd ik overspoeld door hetzelfde gevoel dat me benam op de luchthaven, bij ons vertrek. Mijn moeder, zus, grootouders en beste vriend waren allemaal meegekomen om ons uit te wuiven. Op het moment dat het hele gezelschap niet meer zichtbaar was, we werden voorbij de paspoortcontrole naar rechts afgeleid, kreeg ik een opstoot van heimwee. Net of je emotioneel moet braken. Tranen die tegen je ogen duwen, je maag een steen en je ledematen lood. Of je al dan niet huilt is bijkomstig.

“Mark, die voor een jaar in Indonesië is gaan werken, stuurde ons deze brief. Hoewel hij al heel lang van deze reis droomde, denkt hij toch nog vaak terug aan zijn thuisland, waar zijn ouders vast en zeker naar dit programma aan het luisteren zijn. Hij stuurt hen warme groeten, alsook aan…”

Papa zag dat ik het moeilijk had.

“Nog twee maanden en we gaan op vakantie naar België, weet je nog?” Ja, ik wist het nog, maar het viel me toch zwaar. Ik dronk van mijn frisdrank.

“En dan nu een bericht, speciaal voor mijn kleine Stefan, die ergens in het midden van Afrika zit, samen met zijn papa. We missen je heel erg hard en denken elke dag aan jou. Amuseer je daar goed en tot snel. Lieve groeten van je mama, Martine, de bomma, Annie, Beau en Jérôme. Speciaal voor jou Stefan, ‘Evidemment’ van France Gall…”

De tranen rolden over mijn wangen. Zelfs mijn vader hield het niet droog. Ik legde mijn hoofd op zijn schouder en liet het allemaal gaan. G. reikte me een zakdoek aan en legde haar hand op mijn been.  Ver weg van de kamer waar wij zaten, vloeiden er ook tranen. Ver weg was vanavond net iets dichterbij.

09/04/2019 Money for Nothing, Dire Straits

Georges

Het dier kijkt ongeïnteresseerd rond.

“Talo boni?” Ondanks het beperkte Lingala dat ik spreek, begrijp ik dat mijn vader net de prijs heeft gevraagd.

“ Dix mille.”

“ Trois mille” werpt mijn vader terug.

“Ah Patron, oza makasi!”

“Eh, naza makasi mingi!” Ze vallen elkaar bijna lachend in de armen.

“En tout cas, cinq mille, c’est mon meilleur prix. Naza bana et mwasi mingi!”. Zijn witte tanden maken zijn glimlach nog groter.

“Wat zeggen jullie allemaal?”

“Hij vindt dat ik een taaie onderhandelaar ben.” Mijn vader knipoogt naar me en legt zijn arm om mijn schouders.

“Wat nog? Je vroeg een prijs, hé, pap?”

“Goed jongen. Hij gaf me zijn beste prijs en zei me dat hij vele kinderen en vrouwen had.” Ik begrijp het niet helemaal, maar ik krijg er wel een plezierig gevoel van.

“Allez, c’est bon!” Mijn vader legt het bankbiljet in de bleke handpalm van de verkoper. Deze overhandigt hem het touw waaraan de chimpansee vastzit, steekt het geld op zak en slentert terug naar de poort, waar door hij tien minuten eerder was binnengestapt. Het dier kijkt hem emotieloos na.

eerste foto met Georges

10/04/2019 Run to you, Bryan Adams

Les Engels

Het klaslokaal waarin we al onze lessen kregen, was een rechthoekige lemen hut met een stro dak. De laatste in de rij van vijf. Ze stonden mooi achter elkaar op een open vlakte. Op een tweehonderd meter hiervan verwijderd was het secretariaat: een vierkante, kleinere hut.

De twee langste muren hadden elk drie kleine vensters, ongeveer op anderhalve meter hoogte, die werden afgesloten met een houten luik. Elke ochtend werden die geopend om frisse lucht binnen te laten. Rond een uur of elf lieten we er nog twee open. Ook de deur werd eerst volledig open gezet, maar ging al dicht rond een uur of tien. Een houten blok sloot de deur af.

‘… to whom it may concern. En dus Tanzey, niet:”to who it may concern.” Begrijp je de fout nu?’ Het getik van zijn krijtje op het woord ‘whom’ zette zijn uitleg kracht bij, dacht hij.

‘Maar meneer, Stefan heeft toch duidelijk gezegd dat dat woord ‘whommm’ niet bestaat! En Stefan heeft Engels gehad in Europa!’ Ze keek me aan. Haar gezicht had iets clownesk. Ik keek naar mijn verbeterde toets die voor me lag en probeerde mijn lach te verbijten. ‘Very good’ stond er op geschreven. Het behaalde cijfer was omcirkeld.

‘Stefan kent veel van het Engels, maar blijkbaar niet alles. Ook hij had dit niet correct ingevuld. En trouwens, wie is hier de leraar? Wie heeft er in Engeland gestudeerd?’

‘In Engeland gestudeerd, meneer, u hebt misschien een poster van die grote klok van Londen tegen uw muur hangen, maar u bent er nog nooit geweest! Dat geloof ik niet!’

‘Big Ben, Tanzey, The Big Ben. En ja, ik heb inderdaad een foto van dat prachtige gebouw aan de muur hangen. Een die ik zelf nam. Ik studeerde er van mijn achttien tot mijn twintig.’

‘In uw dromen.’  Tanzeys tanden stonden recht op elkaar.

‘Wat zei je daar, Mamy Tanzey?’

‘In uw dromen!’        

De leraar hief zijn been op en grabbelde zijn schoen van zijn voet. Op dat moment sprong Tanzey op uit haar bank en liep naar de deur, achteraan de klas. Die was vergrendeld. De schoen belandde net naast haar hoofd. Terwijl de leraar zijn tweede schoen met veel moeite van zijn andere voet probeerde los te krijgen, wierp Tanzey de eerste schoen door het openstaande raam. Dit maakte de leraar furieus. Met zijn rechtervoet in zijn linker hand, huppelde hij op haar af. Haar gelach was zo aanstekelijk dat we het allemaal uitschaterden.

‘Tanzey! Blijf staan, jij onbeschoft…’ Het einde van de zin hoorde ze niet meer. Ze was op een bank gesprongen en in een soepele beweging door het venster verdwenen. De leraar probeerde de deur open te krijgen, nadat hij zijn tweede schoen in de richting van het venster had geworpen. Een klasgenoot had de schoen opgeraapt en op het bureau gelegd. Eindelijk kreeg hij de deur open en liep de leraar briesend de klas uit.  

‘Tanzey! Blijf staan!’ Zijn stem stierf weg.

‘Die zijn vast samen naar ‘Ze Bik Bèèn’ gelopen!’ We namen onze spullen en verlieten het lokaal.

11/04/19 Giverny, Chris Rea

Aéroport Bangoka 1

“mesdames et messieurs, dans quelques instants nous attérrissons à Kisangani. Nous vous prions…”

‘Klik je veiligheidsriem maar vast, we gaan zo landen.’

Mijn vader klapt het tafeltje voor zich dicht en recht zijn rugleuning. G. slaapt nog. Ik wek haar voorzichtig.

‘Zijn we er al?’

‘In Kisangani.’

Een tussenlanding. De druk in mijn oren neemt toe, het vliegtuig zet de afdaling in. Door het raam links, zie ik de vleugelflappen naar onder uitklappen. Mijn handen nijp ik verkrampt in de armleuning. De wielen botsen op het tarmac. De piloot doet de motor huilen, net alsof hij een versnelling ter ver terugschakelt. Er  barst een spontaan applaus los. Anderen bedankten de Heer voor de behouden vlucht, armen wijd. We taxiën naar de plaats die de begeleider op de tarmac aanduidt.

“Mesdames et messieurs nous avons atteri à l’aéroport de Bangoka, Kisangani. Nous demandons aux passagers qui continuent leur voyage vers Isiro de rester…”

Isiro, onze eindbestemming. Het dorp waar we ons nieuwe leven zullen starten. Mijn vader had er in de voorbije weken een huis gevonden en de administratieve zaken in orde gebracht. Ook de schooldirectie van Les Aiglons was op de hoogte van mijn komst. Er was afgesproken dat ik een tot twee weken zou nemen om op mijn plooi te komen. Die enkele dagen extra achterstand zouden het verschil niet maken. Ik wist niet waar ik me het meeste zorgen om maakte, het feit dat ik als enige blanke op de school zou rondlopen of de taal. Ik begreep wel Frans, maar ik sprak het alles behalve vlot.

‘Zouden we uit het vliegtuig mogen?’

‘Nee, de piloot zei net dat de reizigers voor Isiro moeten blijven zitten. Binnen een dik uur stijgen we terug op.’

Weer een uur wachten. We waren al met vertraging vertrokken zonder dat er een duidelijke reden voor opgegeven was. Ik wil opstaan om naar het toilet te gaan, maar dat mag niet, zolang we stilstaan.

‘Hoe laat komen we aan in Isiro, pap?’

‘Van hieruit is het nog een klein uurtje vliegen. Wist je dat Kinshasa en Isiro even ver van elkaar liggen als Brussel en Madrid? Zaïre is een immens land. ‘

‘Is dat niet wat overdreven?’ Ik merk aan de intonatie in G’s stem, dat ze de eindbestemming graag zo snel mogelijk wil bereiken.

‘Ja, ik denk het wel. Volgens mij is het zelfs nog verder. Wanneer we straks in onze nieuwe woning aankomen, nemen we er de atlas bij.’

“Mesdames et messieurs: vue la situation météorologique difficile à l’aéroport d’Isiro, nous vous informons que notre départ est décalé d’une heure. Nous éteignons égallement les moteurs par épargner la réserve de carburant. Nous apprécions votre patience et nous vous informerons au plus vite.”

‘Ja, hier gaan we.’

‘Vertrekken we? Hé, wat gebeurt er. Mijn airco werkt niet meer. Wat nu?’ G. recht haar rug om boven de hoofdsteunen uit te kunnen rondkijken.

‘Schat, zeg eens, wat gebeurt er?’

‘Hoe laat is het?’

‘Half vier, waarom?’

‘Dat wil dus zeggen dat ze het vertrek plannen om half zes. Ze kondigen net aan dat het slecht weer is in Isiro, waardoor we nog niet kunnen vertrekken. Indien we om half zes hier opstijgen, zouden we daar rond kwart na zes aankomen. Om zes uur is alles er pikdonker. Daar komt dus niets van. Bienvenue en Afrique.’

12/04/2019 4C’est ta chance, Jean-Jacques Goldman

421

Papa parkeert de auto. Hij zet de motor af en dooft de lichten. Het is half zeven. Het is pikdonker. Niets te zien van de vallei die zich voor ons uitstrekt. Zo gaat dat hier. Om zes uur zet de avond zich in en een half uur later is de zon weg, net of er nooit daglicht geweest is. Enkel de krekels en de drukkende warmte geven je een vermoeden.

Uitzicht bij 421

We stappen uit en wandelen richten de roestige deur waarop in witte verf de afgebladerde cijfers ‘421’ geschilderd staan. De deur schuurt. Op al de tafels ligt een wit tafellaken. Verder is het vertrek leeg. Enkel aan de tafel dichtst bij de keuken zit een man. Hij zet zicht rechtop wanneer wij binnenstappen.

“Bienvenue au 421. Vous pouvez choisir une table.”

Dat we een tafel mogen kiezen. Dat zegt hij elke keer. Op dezelfde monotone manier. Nog nooit zag ik hier ’s avonds ander volk. We hebben hier overdag ook al eens gezeten met de directeur van de luchthaven, tijdens een of andere feestdag. Een hoogdag voor dit restaurant. Minstens 3 tafels waren toen bezet. De directeur en de ober waren de enige zwarten. Al de andere bezoekers waren blank en Europees.

421 tijdens feestdag

“Wat wensen de mensen te drinken?”

“Deux Skols et un surcré s’il vous plaît.” Mijn vader en G. nemen bier, ik limonade. G. neemt de boek kaarten uit haar tas en begint het pak te schudden. Ik kijk naar de ober die zich bezighoudt met de dranken. Achteraan het restaurant staat een vriezer, een laag, lang rechthoekig model. Hij opent het deksel en neemt er een halve liter fles bier uit, het gangbare model. Hij verwijdert de kroonkurk en zet ze op het dienblad dat hij op de toog van de bar had klaargezet. Vervolgens opent hij het deksel opnieuw en neemt er weer een fles bier uit, zet ze ontkurkt op het dienblad, naast de andere fles. Mijn flesje limonade is het laatste wat hij tevoorschijn tovert. Hij neemt het dienblad op en slentert naar onze tafel. Een voor een zet hij de flessen op tafel. Vervolgens slentert hij terug naar de bar en neemt twee glazen met reclame van ‘SKOL’ en een glas met het opschrift ‘MIMI ORANGE’ en zet ze alle drie op het dienblad. Dan komt hij weer aangesloft. Nadat hij de glazen heeft neergezet, neemt hij het glas van mijn vader in zijn linker en de fles bier in zijn rechterhand. Nu weet ik dat er een leuk moment volgt. Hij brengt de fles naar zijn borst, kantelt ze naar voor en laat op die manier het bier in het glas vloeien. De eerste keer dat ik dit zag moest ik lachen omdat het me zo onhandig leek. Nadat hij deze handeling nog 2 maal herhaald heeft, slentert hij terug naar de bar en zet het dienblad weg. Vervolgens zet hij zich terug aan de tafel en kijkt voor zich uit.

“Welk spelletje willen jullie spelen?” G. schudt de kaarten. Ik neem mijn glas en drink ervan.

“Doe maar wat we altijd spelen”, zegt mijn vader en steekt zijn hand op naar de ober. Die staat op en slentert in onze richting.

“Wat kunnen we eten vandaag?” De ober duwt zijn kin naar voor, keert zich om en wandelt terug naar de bar. Daar neemt hij drie menu’s beet en brengt ze naar onze tafel. Mijn vader vraagt hem om niet direct weg te gaan. Op het menu staan wel vijftien verschillende gerechten, waarvan er een stuk of zeven zijn doorgehaald.

“Ik zie dat de Tilapia is doorgestreept, kunnen we die vandaag echt niet krijgen?”

“Oui patron, aujourd’hui le poisson, il n’y a pas.”

Om zijn woorden kracht bij te zetten, maakt hij een soort van draaiende beweging met zijn hoofd

“En gebraden kip met citroen, hebben jullie dat vandaag?”

“Oui patron, aujourd’hui le poulet, il n’y a pas.’ Opnieuw die beweging.

“Steak?”

“Oui patron, le steak, en tout cas, il y a.” Hier houdt hij zijn hoofd stil.

“Doe dan maar 3 keer de steak. Goed doorbakken aub. Kan je voor frietjes zorgen?”

“Dat zal ik in de keuken vragen.”

“Welke saus kan je ons erbij serveren?”

“Bruine saus.”

“Goed, 3 steaks met bruine saus en frietjes indien mogelijk.”

De ober duwt zijn kin opnieuw naar voor, neemt de menu’s van de tafel en keert terug naar de bar. Hij zet de menu’s terug op hun plaats en stapt de deur binnen, die vermoedelijk uitkomt in de keuken.

“Grappig dat hij blijft zeggen dat hij het in de keuken moet vragen.” Mijn vader nipt van zijn bier.

G. deelt de kaarten en we beginnen ons eerste spelletje. Ik hoor de ober in de verte op dezelfde monotone manier praten met een ander persoon.

De kaartspelletjes volgen elkaar op. Vanuit de keukendeur klinkt schelle muziek. Daar is de ober opnieuw. Nu heeft hij een bord vast waarop een servet ligt met bestek. Zorgvuldig legt hij het bestek op een hoopje op de tafel. Wanneer hij terug bij de bar is, neemt hij drie servetten en legt ze op het bord met het servet, dat hij na een poosje op onze tafel neerzet.

De eerste keer dat we hier kwamen, legde mijn vader verschillende dingen uit.

“Hier wordt het bewijs geleverd dat je in het centrum van Afrika zit en niet in een restaurant ergens in centrum Antwerpen. Het duurt hier minstens een uur voor je je eten krijgt, vandaar dat we best telkens een spelletje meenemen om de tijd te doden. Ze hebben hier wel een menu, maar je kan hier uitsluitend steak eten. Met bruine saus. Na ongeveer een half uur nadat we besteld zullen hebben, zal je geklop horen. Er werd me uitgelegd dat ze de steak zo mals mogelijk willen serveren en daarvoor hem even onder handen nemen. Het vlees blijft, ook na hun behandeling, redelijk taai, maar dat went. Het kruipt wel tussen je tanden, dus vragen we na het eten een tandenstoker.” Dat laatste liet hij even in de lucht hangen.

“Ozana cure-dents s’il vous plaît?” De ober beweegt in zijn zelfde tred terug naar de bar. De steak was taai en de saus bruin. Zoals mijn grootmoeder altijd zei: ”Jongen, als je honger hebt, eet je alles.” Ze had gelijk.

“Daar komt hij met de tandenstokers”, zegt mijn vader met iets ironisch in zijn stem. De ober heeft een bordje vast met daarop twee tandenstokers. Op de opmerking van mijn vader, dat we met z’n drie zijn, antwoordt de man :”u zult moeten delen.”

14/04/2019 C’est bon que tu sois là, France Gall

Dieudonné

Ja, we hadden ‘boys’. Het heeft wel geduurd tot mijn terugkeer in België om dit woord voor het eerst te horen. Een van mijn eerste schooldagen na onze terugkeer in België, kwamen enkele klasgenoten tijdens de speeltijd naar me toe.

“Jij hebt toch in Zaïre gewoond, he? Hadden jullie boys thuis?”

“Wat bedoel je?”

“Wel mensen die voor jullie de was deden en kookten? Hadden jullie dat?”

“Ja, er waren Papa en Dieudonné, Raffaël en nog wel wat andere mensen.”

“Wat deden jullie indien ze niet deden wat jullie vroegen? Sloegen jullie erop?”

“Wat?! Waarom zouden we dat doen?”

“Dat wordt toch gedaan daar, wanneer zwarten niet doen wat blanken vragen?”

“Uit welke wereld kom jij?! We hadden inderdaad iemand die voor ons de was deed en ons huis proper hield of verschillende mannen die zowel overdag als ’s nachts de wacht hielden, maar die werden er ook goed voor betaald. ’s Middags zorgden we dat er eten voor hen was. Rijst en pilchards, daar waren ze verzot op.” Enkele van de omstaanders was al vertrokken, waarschijnlijk teleurgesteld omdat ze geen sappige verhalen te horen kregen.

“Hoe liepen ze dan gekleed? Met rokjes uit stro en zo?” Die had duidelijk te veel naar televisie gekeken.

“Ze droegen kledij zoals wij. De vrouwen waren gekleed in gekleurde pagnes. Zeer elegant.”

“Hier Dieudonné, ik denk dat je deze schoen mist, niet?” Mijn vader staat in de gang met een bruin leren schoen in zijn hand, die hij overhandigt aan Dieudonné, een zeer verzorgde, keurig gekleede jongeman. Deze laatste zit op een stoel terwijl hij onze schoenen poetst. In ons dorp is er slechts één macadam weg. Alle andere wegen bestaan uit rode aarde. Vandaar dat mijn vader met Papa, onze oudere huishoudhulp, had afgesproken om de schoenen een keer per week te poetsen. Dieudonné, de rechterhand van Papa, kreeg deze taak toegewezen.

de enige macadam weg in Isiro

“Ik vond hem in onze slaapkamer.”

“Merci Patron.”

“Papa en Dieudonné onderhielden ons huis. Ze poetsten, maakten onze bedden op, poetsen de schoenen, deden de was en streken onze kledij. Trouwens het strijkijzer dat ze gebruikten was er een op houtskool, gezien we enkel ’s avonds tussen 18h en 21h elektriciteit hadden.”

“Op houtskool? Hoe werkte dat dan? Hoe zag dat ding er dan uit?”

Papa – Dieudonné

“Gewoon, het model van strijkijzer dat onze overgrootouders gebruikten. Bootvormig met een deksel dat je met behulp van het handvat kon openen. Je maakte een vuurtje en legde er de makala (houtskool) op tot die gloeiendheet was. Nadien stak je de makala in het ijzer en wachtte tot het heet genoeg was om te strijken. Ze hadden ook een plastieken kom met water. Indien het ijzer te warm was, dompelde ze het heel voorzichtig en niet te diep in het water om het te doen afkoelen.”

“Hé Dieudonné, gek, nu vond ik diezelfde schoen die je vorige week vergeten was, naast de deur in de keuken? Hier. Net of die schoen vanzelf door het huis wandelt! Ha!” Mijn vader grinnikt. Dieudonné steekt zijn arm uit, neemt de schoen aan en zet hem naast de andere.

“Merci Patron.”  

“Wie kookte er dan?”

“Meestal deed G., de vriendin van mijn vader dat. Het gebeurde dat we een feestje organiseerden en dan kwamen er enkele echtgenotes van het personeel traditioneel koken.”

“Wat maakten die klaar?” “Heb je olifant gegeten?” “Of leeuw? Heb je leeuwenvlees gegeten?”

“Nee. Enkel mboloko, een kleine soort antiloop en makaku, een aapsoort die er in alle vormen wordt klaargemaakt.”

“Aap! Hoe erg! En vies, jak!”

“Vies zeg je. Weet je wat ze daar vies vonden van bij ons? Mosselen en oesters! Het heeft maar met gewoontes te maken. En erg? Je moet wel begrijpen dat ze daar geen GB hebben om elke dag hun verse voeding te halen. In Kinshasa heb je dat wel, maar dat is de hoofdstad, op 2.000km van Isiro, waar wij woonden. Je kan er vlees of vis kopen op de markt, dat dan uren zo goed en zo kwaad mogelijk in de schaduw van een aftands marktstandje heeft gelegen, heel de tijd belaagd door een zwerm vliegen. De Mama’s die dit vlees te koop aanbieden, kochten het zelf van jagers in de brousse en wat voor dieren vind je in de brousse…?”

“Dieudonné, weet jij waar mijn andere schoen is, je weet wel, die ene die ik enkele dagen geleden aan de keukendeur vond?”

“Oui Patron, ik weet niet waar die is.” Mijn vader keek onder alle kasten, zetels, draaide heel het huis ondersteboven om die verdomde schoen te vinden. Niets.

“Papa, heb jij die schoen gezien?”

“Non Patron.”

“Hebben jullie hem soms gezien?” G. en ik schudden beiden onze hoofden.

“Ja, dan kan ik de deze beter wegsmijten. Wat ben ik nu met één schoen.”

“En tout cas Patron, zou ik die schoen mogen hebben?” Dieudonné hield zijn hoofd een beetje schuin om zijn vraag kracht bij te zetten.

“Wat kan je in godsn… tja, als je wil Dieudonné mag je die schoen hebben. Binnenkort moet ik naar Kinshasa, dan koop ik me wel een nieuw paar.”

“Merci Patron.”

“Welke wilde beesten hebben jullie gezien? Hebben jullie tijgers gezien?”

“Nee, geen tijgers. In Afrika leven geen tijgers, enkel in de zoo.”

“En leeuwen dan?”

“Nee leeuwen hebben we ook niet gezien. Mijn vader is wel eens over een slang gereden. Die was zo dik dat onze jeep opwipte, net of we over een boomstronk reden.”

De schoolbel. Iedereen ging terug naar zijn rij. Ik bleef staan. Niet daar, niet op deze speelplaats.

“Dieudonné! Zijn dat niet mijn schoenen, mijn beide bruine leren schoenen, waarvan ik er één kwijt was?”

“Oui Patron.”

“Nu draag jij ze?”

“Oui Patron.”

“Hoe komt het dat jij ze draagt?”

“U hebt ze mij gegeven, Patron”

16/04/2019 Dies Irea, W.A. Mozart

Aéroport Bangoka 2

‘Vergeet je rugzak niet.’ Iedereen was druk in de weer om de handbagage uit de kastjes te halen. We mochten het vliegtuig eindelijk verlaten. De buitenlucht voelde verfrissend aan, ook bij vijfendertig graden. ‘Net buiten het luchthaven gebouw kan u een taxi nemen naar Kisangani, waar u kan overnachten in een hotel naar keuze. De luchtvaartmaatschappij vergoedt de onkosten.’ Wat ons echter niet gemeld werd was dat de laatste taxi ongeveer een halfuur geleden vertrokken was. Bussen waren ook nergens te bespeuren. Enkel een leeg gebouw met gestrande vliegtuig passagiers wachtte ons op.

‘Wat gaat er nu gebeuren?’ Mijn vader had gelijk. Het was net zes uur en de nacht was gevallen.

We volgden de groep tot we in het luchthaven gebouw binnen stonden. Iedereen keek verdwaald in het rond, wachtend tot er iemand iets zou ondernemen. Wat precies, was niemand duidelijk.

‘Pap, waar ga je heen?’

‘Blijf hier even staan. Ik ga kijken of ik iets kan regelen om naar Kisangani te gaan.’ Hij verdween in de massa. Daar stonden we dan, G. en ik, letterlijk in het midden van Afrika, met niets meer dan wat handbagage en een paar onduidelijke woorden Frans. Ons ‘avontuur’ stond nu al op stil. Nu ik er terug over nadenk: het was ons Afrikaans doopsel dat we daar beleefden, de onderdompeling in de cultuur waarvan we niets afwisten. Article Quinze, waar later ook wij ons levens motto van zouden maken, toonde zich hier voor het eerst: débrouillez vous, trek je plan.

‘Dat wordt niets. Alle taxi’s, bussen of welk ander vervoermiddel ook, zijn weg. Gelukkig hebben ze nog een loopjongen gevonden die bereid was om bij het dichtstbijzijnde dorp op zoek te gaan naar eten.’

‘En de luchtvaartmaatschappij dan? De piloten? Stewardessen? Waar zijn die?’ G. stond met haar lichaam wel in Zaïre, haar hoofd hing nog in België. Het was de eerste keer dat ik mijn vader die blik zag gebruiken. Ergens tussen ongeloof en medelijden.

‘Die werden opgehaald door een busje. Ze overnachten in de stad. Kom.’ Hij nam zijn zak en wandelde resoluut in de richting van een trap.

‘Als we dan toch hier moeten blijven, kunnen we ons maar beter als eerste gaan installeren.’ Vlotjes liep hij de trap per twee treden op. G. en ik volgden, zonder vragen te stellen. Boven, een terras. Een zicht op de tarmac en verder : Afrikaans hooggras. De geur van warme aarde. Een zacht briesje wreef vriendelijk over mijn kaken. Er stonden tafels en stoelen in wel 15 verschillende kleuren. Mijn vader koos geel rood en blauw.

De andere passagiers begonnen toe te stromen. Stoelen, tafels werden verschoven. Iedereen maakte een nestje voor de nacht.

‘Dat is de zoveelste keer dat ik dit meemaak. De laatste keer had ik het geluk dat een van de piloten me herkende. Ze namen me mee naar het hotel, zodat ik een bed had voor de nacht. De andere keren, zoals vanavond, was het kamperen op dit terras. Stoel over stoel en de Zaïrese nacht als deken. De krekels, die zongen ons in slaap.’ De man sprak tegen iedereen en niemand. Hij nam twee stoelen die hij over elkaar zette, nam plaats en dommelde op de seconde zelf in. Het was kwart voor zeven.

De geroosterde kip smaakte als een vijfsterren menu. Een beetje peper en citroen. Een huilende baby op de achtergrond. Na de maaltijd las ik voor de zoveelste keer hetzelfde stripverhaal.

‘Misschien moet je proberen wat te slapen?’ Mijn vader schoof me een tweede stoel toe. Ik legde mijn voeten erop en schoof wat onderuit. Erg comfortabel was het niet.

Wat me het meeste is bijgebleven is het geluid, de klanken. Stemmen als kleine pleistertjes, een gezoem dat je net genoeg zekerheid geeft te denken dat deze omgeving veilig is. Krekels schrapen. De klank van mijn eerste échte Afrikaanse nacht.

Ik sloot mijn ogen, nee, ik verplichtte mijn oogleden gesloten te blijven. Dat het licht van een TL-lamp zo streng kan zijn, heb ik daar geleerd. Ik keerde en draaide, duwde de voetenstoel weg, trok hem terug bij. Dit was echt ver van mijn bed. En plots, toch, stilte.

17/04/2019 Say goodbye to Hollywood, Billy Joel

Ik lig op mijn rug op bed en staar. Langzaamaan draaien mijn ogen zich in mijn hoofd. De eerste beelden zijn wazig. Ik gis naar wat ik zie. Het zijn beelden van toen, mensen die me aanspreken, neen, iemand die me iets uitlegt en anderen naast me, achter en voor me. Het is mijn leraar van Sociologie Africaine. Het is de les van toen die ochtend die ik terug voor me zie. Ik hoor zijn stem, zijn serieus waarmee hij zijn woorden uitpreekt. Hij heeft het over de luipaard vrouw. Hij vertelt een legende. Nee, zo noem je dit soort verhalen niet. Dit is een waargebeurde geschiedenis, waar je maar beter lessen uit trekt.

“Leer jij zulke dingen niet in jouw land, dan?”

“Nee. Luipaardvrouwen bestaan niet bij ons.”

“Kijk uit Mundele. Je moet er niet zo licht mee omspringen. Ik ben blij dat je in mijn klas zit, zodat ik je wat kan helpen meer inzicht te krijgen in het échte leven. Jullie blanken denken de waarheid te kennen. Jullie kennen er misschien al veel van, maar lang niet alles. Ja, ik ben voorzichtig met mijn woorden omdat het er mij niet om gaat je te kwetsen. Jij kan er per slot van rekening niet aan doen dat je blank bent. Dat is niet jouw schùld. Dat is jouw lot.”

“Vertelt u het hele verhaal eens van de luipaardvrouw, alsjeblief? Ik weet wel dat het te maken heeft met een overspelige man, maar hoe gaat het verder?”

“Een overspelige man. Er was eens, zo ga ik alvast niet starten, anders zeg jij weer dat het slechts een sprookje is, terwijl, en dit wil ik écht dat heel duidelijk is, het écht gebeurd is. De man waar het om gaat, was gelukkig: hij had een mooie vrouw, vier kinderen, elke dag lekker en veel eten, een huis en enkele schapen. Wat hem in de armen van die andere vrouw dreef, begreep niemand. Waarschijnlijk was zij bezeten en kon ze hem verleiden met een van haar toverspreuken. Hun affaire duurde enkele maanden.

Op een avond, de kinderen lagen al in bed, vroeg zijn vrouw: ”Dieudonné, is er iets dat je me moet vertellen?” De man antwoordde dat er niets was dat hij haar moest vertellen. Zo ging het een paar dagen. Telkens kroop er meer melancholie in haar stem. Hij klonk steeds vastberadener. “Dieudonné, ze snikte haast bij het uitspreken van deze woorden, is er écht niets dat je me moet vertellen?” “Hou op!” De veer was gebroken.

3° 4°en 5° Middelbaar Les Aiglons, jaargang 88-89

’s Nachts, het moet een uur of drie geweest zijn, blies een vale wind het raam in hun slaapkamer open. Een luipaard sloop geruisloos in de kamer en kroop naar het bed, de kant waar de man sliep. Nog voor hij het wel besefte, werd de man in een paar vlotte happen opgeslokt door het luipaard. Na het eetfestijn legde het dier zich met enige élégance voor het bed neer en viel in een diepe slaap. De volgende ochtend was er van het luipaard geen sprake meer, het was de vrouw echter die poedelnaakt voor het bed op de grond lag. Haar buik was licht gezet.  Ze opende haar ogen en zei :“Zijn verdiende loon”. Nooit zou ze nog over haar man praten.”

18/04/2019 Maria Valencia, Papa Wemba

Complexe Scolaire “LES AIGLONS”
DECISION DU CONSEIL PEDAGOGIQUE
Extrait du Procès-Verbal du 26 juin 1989
L’élève est :…autorisé (e) à redoubler sa classe.

Mijn vader kijkt me streng aan. “Hoe vaak heb ik je gezegd dat je meer je best moest doen voor school. Wat wil je nu dat ik vertel aan de mensen in België? …”

Was het omdat ik nogal vrolijk binnen kwam huppelen of was mijn onverschilligheid zo leesbaar? Deze reactie had ik niet zien aankomen.

Enkele weken geleden hadden we het nog gehad over mijn leraar comptabilité die voor de tweede maal om geld was komen vragen. Deze keer vroeg hij hulp voor de renovatiewerken aan zijn omheining. De laatste storm had een heel deel verwoest. Mijn vader legde hem op een vriendelijke manier uit dat er geen geld was, omdat de zaken niet zo best gingen, -iets met het stijgen van de koers van het goud tegenover de dollar- maar dat hij gerust iemand wilde langs sturen om hem te helpen bij de renovatie. Een klakkend tonggeluid was de eerste reactie van mijn leraar boekhouden, die overigens ook instond voor ons onderricht in stenografie, commerciële technieken en rekenkunde. Hij liet het niet bij één afwijzing : hij stelde dezelfde vraag op een meelijwekkende toon, ooggeknipper incluis. Hoofd schuin. Zelfde resultaat. Met afhangende schouders verliet hij het kantoor. Samen met onze goede verstandhouding, zakten mijn punten voor zijn vakken onder het vriespunt.

voorzijde rapport

Het gebeurde wel vaker dat mensen geld kwamen vragen, vaak voor de gekste dingen.

‘Ah patron, ik zou graag een voorschot op mijn loon krijgen.’

‘Waarom wens jij een voorschot op je loon Asumani?’

‘Ik wil een cadeau kopen voor mijn vrouw! Ze gaat er heel erg blij mee zijn!’

‘Wat zou je willen kopen?’

‘Een koelkast!’

‘Een koelkast.’

‘Ja, zo een met een lichtje in en verschillende vakken.’

‘Asumani, je woont in de cité. Heb jij electriciteit?’

‘Nee patron.’

‘Dan werkt een koelkast toch niet, ook het lichtje zal niet werken.’

‘Dat weet ik patron, maar mijn vrouw gaat heel blij zijn. Ze was ook heel erg blij met het televisietoestel dat ik vorige maand voor haar kocht.’ Ik ging naar mijn kamer. Ik huilde. Natuurlijk had ik weinig gestudeerd. Ik verstond de helft niet van wat ik moest leren. Enkele maanden voordien zat ik nog in België op school, kreeg ik les in het Nederlands. Nu was alles Frans. Enkel dactylo, bij de Limburgse Zusters, die blij waren om een Belgje in hun klas te hebben (zie punten op mijn rapport). Trouwens, waarom was corruptie nu plots geen uitvlucht meer? Ik had hem moeten zeggen dat hij die haag had moeten betalen, ook al wisten we allemaal dat die schutting er al jaren verrot bijlag en dat mijn leraar het geld voor andere dingen zou gebruiken, voornamelijk bier. Met de lege bakken kon hij ook een mooie haag maken. Twee vliegen in één klap. Mijn vader had het kunnen gebruiken om me een mooi resultaat te kopen. Eigenlijk moest hij niet aan mij vragen wat hij aan ‘de mensen in België’ zou vertellen. Het was duidelijk wàt hij moest zeggen : het slechte resultaat van mijn zoon? Ik betaalde niet.

achterzijde rapport

21/04/2019 L’Italiano, Toto Cutugno

Alimentation chez Madamou

Net Lambik. Op de vlinderdas na. Hij steekt zijn arm op. De hitte in de winkel vertaalt zich in een zweetkring die onder zijn oksels tevoorschijn komen. Ik wil graag geloven dat hij vanochtend een vers hemd aantrok, maar het lukt me niet.

Hij zit op een kruk. Statisch. Hij houdt een lange stok in zijn ene hand en een touw, dat aan het bovenste uiteinde van de stok is bevestigd, in de andere hand.

We staan als sardienen op elkaar geprakt. De man voor me trapt op mijn tenen, draait zich om, bekijkt me en zegt niets.

Ik herinner me de laatste keer in België dat ik een brood ging halen bij de bakker. Binnenkomen, brood bestellen, betalen, buiten. Met wat meeval kreeg ik een snoepje. Onderweg naar huis at ik de korstjes op.

“Au suivant” Zijn stem klinkt rauw.

Iemand roept hem “tomates pélées” toe. Hij heft de stok op, richt ermee naar het schab waar enkele conserven staan, trekt aan het touw. Twee grijpvingers sperren open en omklemmen het blik met de blauwe etiket. Zachtjes laat hij de stok zakken en zet het blik op de toog. “Et avec ça?”

Met een ongeziene souplesse tikken zijn dikke vingers de prijs van het blik tomaten en het pak wc papier dat er nog bij mocht.

“Trois mille.”

Zijn klant smijt enkele versleten bankbiljetten op de toog en wringt zich een weg naar de uitgang. Het felle zonlicht schraapt over onze hoofden. De deur sluit met een doffe slag.

Opnieuw steekt Madamou zijn arm op. Net op het moment dat de volgende zijn bestelling doorgeeft, kijkt hij in mijn richting.

“Hé, Mundele, j’t’avais pas vu, que veux-tu?”

Ik veronderstel dat hij me vraagt wat ik wil. Ik kijk naar de grond en probeer me de woorden van mijn  vader te herinneren. “Mapa moko, s’il vous plaît.” Ik herhaal het nog twee keer in mijn hoofd, kijk hem aan en zeg de woorden zo luid ik kan.

“Mapa essili”.

Ik blijf staar hem aan.

“Mapa moko, s’il vous plaît”. Hij heeft me vast niet begrepen. Logisch, we wonen hier nog maar twee weken en mijn enkele woorden Lingala zijn ver van accentloos.

“Mundele, Mapa essili. Lobi. Lobi na tongo. Demain matin.” De man naast me kijkt me aan en zegt me in het Frans dat het brood van vandaag op is. Morgenvroeg kan ik terug komen.

De arm gaat terug de lucht in. De zweetkring. Zijn rauwe stem. Ik wring me een weg naar de deur. Ik heb me nog nooit zo blank gevoeld.

ontbijt met mapa, verse ananasi en kwata choco van bij Madamou

25/04/2019 Avalon, Roxy Music

Daar wandelt ze. Wel laat op de dag, mijn school is al minstens 3 uur gedaan. Zou ze me opnieuw aankijken wanneer ik haar voorbij fiets? Ik moet er wel voor zorgen dat ik ze net voor dat zijweggetje passeer waar zij indraait, want ik moet rechtdoor. Een beetje sneller fietsen. Ook weer niet té snel. Ik wil zien dat ze me ziet. Ook al draagt ze hetzelfde witblauwe uniform als elke andere leerling, ze is zo mooi. Die ogen lijken wel witte keitjes met , recht in het midden, een zwarte stip. Ik nader haar te vlug, nog wat afremmen. Ze kijkt naar de grond. Ze loopt alleen, haar boekentas op haar rug. Zou ik haar iets durven zeggen? Wat dan? ‘Bonjour’? Dat klinkt zo formeel. ‘Salut’ dan? ‘Mboté’ wie weet spreekt ze me dan in het Lingala aan en dan sla ik wel een mal figuur, gezien dat ‘Mboté’ ongeveer het enige woord is dat ik ken. Nee, ik zeg haar niets. Ik kijk haar aan tot zij opkijkt en dan… zien we wel. Ja, ze is vlakbij, ik moet wat sneller fietsen anders val ik om! Ze kijkt op! Ik knik, open mijn mond, maar er komt geen woord uit. Ze glimlacht. Zo mooi. Ik wil stoppen, maar mijn benen blijven doorfietsen. Ik ben haar gepasseerd. Zou ik omkijken? Ik kijk om. En zij…ook! Weer die ogen én die glimlach. Ik kijk terug voor me en rijd haast in de struiken! Ik stop, stap onhandig af en kijk nog een keer om. Ze is weg. Een groepje jongere meisjes wandelt giechelend voorbij. Morgen is zondag. Nog twee keer slapen en ik zie haar opnieuw.

Jeanne en ik

25/04/2019 Stainsby girl, Chris Rea

Mijn vingers zijn als de zijne, even lang. Wanneer ik mezelf hoor lachen, hoor ik hém. De spiegel liegt me niets voor, per dag lijken we meer op elkaar. Zelfs zijn rijstijl, zijn manier van groenten snijden of neus snuiten. De gedachten rennen door mijn hoofd: ”Zou ik dezelfde beslissing nemen als hij toen nam?”

Mijn vader had veel gereisd. Regelmatig ging hij op werkbezoek bij klanten in Abu Dhabi, Koeweit of andere exotische bestemmingen. Hij woonde zelfs een tijdje in Thailand om kleurstenen aan te kopen voor een diamantgroothandelaar in Antwerpen. Toch was het deze keer anders. Niet alleen omdat het ging over een project van onbepaalde duur, maar omdat G. en ik zouden meegaan; alles achterlaten in België .

Het was avond. We waren net klaar met de vaat. Ik had nog huiswerk.

“Ga eens even zitten.” De achtergebleven kruimels veegde mijn vader zorgvuldig van de tafel, terwijl hij zelf plaatsnam. Hij gebruikte de meest eenvoudige woorden om een hele ingrijpende verandering haarfijn uit te leggen. Zoiets lukte hem meestal niet, dingen duidelijk uitleggen. Ooit probeerde hij me de dt-regel op diezelfde manier te doen begrijpen. Tot op de dag van vandaag is het met niet gelukt om via zijn uitleg foutloos te schrijven. Daarom ook blijft dat moment me zo bij.

“Je zus wil niet meegaan. Ze blijft liever bij je moeder wonen.” Die laatste zinnen hoorde ik niet meer. Mijn antwoord op zijn vraag of ik hem wilde vergezellen naar het onbekende Afrika, was niet mis te verstaan. Wat hierop volgde herinner ik me niet meer nauwkeurig. Namen we elkaar in de armen of lachten we elkaar met betraande ogen toe, dat ben ik vergeten. Wat ik echter nog wel weet is dat ik op dat moment besefte dat hij mijn Vader was: er kon me nergens ook maar iets overkomen, zelfs niet in het donkerste deel van Afrika. Hij zou er altijd voor me zijn.

mijn pap

28/04/2019 Can’t slow down, Lionel Richie

Aankomst in Isiro

Aankomst op de luchthaven Matari, Isiro. Eindelijk. De nacht was plastiek. Stoelen als bed, de heldere hemel, het krekelgezang. Afrika was langzaam mijn bloed aan het binnensluipen.

“Stap eens wat sneller jongen.” Ik slenterde door het vliegtuig. Aan het einde van de gang had het grondpersoneel een metalen trap gezet. De motoren loeiden. Ik werd overvallen: de loodzware warmte, de kerosine geur met vleugen van gebrande aarde, het zicht, wegen van rode aarde en groen hoog gras. Dit werd mijn thuis.

De tarmac lag er verlaten bij, enkel onze Boeing 737 waarvan ik stap voor stap wegwandelde stond op het asfalt geparkeerd, klaar om zijn buik terug te vullen met verse passagiers. Een schril contrast met de drukte die er heerste bij ons vertrek op Zaventem.

Toen we even daarvoor nog in de lucht hingen, vlogen we over deze luchthaven, om een grote draai te maken zodat we de landingsbaan van de juiste kant konden benaderen en nog voor de ‘oneffenheid’ in het tarmac tot stilstand zouden komen. (Indien ons dat niet zou lukken, zouden we met een sprong in het hooggras belanden, met alle gevolgen vandien.) Je kon de mensen, vooral vrouwen en kinderen, met hun schapen op hun gemak zien oversteken, met grote metalen kuipen op hun hoofd, overvloedig gevuld met bananentrossen, plastiek zakken en allerhande andere spullen.

Voor het luchthaven gebouw, nog op het tarmac, stonden 3 mannen ons op te wachten. De een helemaal in het wit gekleed, de ander in een blauwe abacost, de derde een Belg, in korte broek en lange gele tot onder de knie opgetrokken sokken. De Cartier bril van de man in het wit duwde zijn hoog opstaande neusgaten bijna van zijn gezicht. Met een welgemeende brede glimlach, een rij spierwitte tanden, stapte hij ons tegemoet, met zijn arm uitgestrekt en zijn hand klaar om de onze vol gastvrijheid te ontvangen.

“Bonjour Monsieur Jean-Louis et je vous dis la bienvenue à vous et bien évidemment à votre très belle famille!”

Hij verontschuldigde zich namens Scibé Zaïre, de luchtvaartmaatschappij, die ons écht wel op een heel onprofessionele en vooral onzaïrese manier behandeld had. Dat ze ons geen hotel of op zijn minst een deftig bed hadden kunnen aanbieden en zeker voor Madame, vond hij ronduit schandalig. Hij zou er voor zorgen dat onze tickets volledig terugbetaald werden. Eerst dacht ik dat hij deel uitmaakte van Scibé. Redelijk snel werd het me duidelijk dat hij werkte voor mijn vader.

Roger was zijn naam of Nkosi, want elke citoyen moest ook een originele Zaïrese naam hebben. Daar had Mobutu voor gezorgd, het herstel van identiteit. Gedaan met monsieur of het kostuum, dat was te blank. Citoyen, abacost (een hooggesloten jas, verschillend van de Westerse kostuumvest) en een échte Afrikaanse naam. Een naam met betekenis, met zijn naam als grote voorbeeld: Mobutu Sese Seko kuku Ngbendu Wa Za Banga vertaald De sterke, krachtige leider die het land naar voorspoed zal brengen.

Roger aka Nkosi

Hij was een jaar of dertig en kende zowat iedereen van Kin tot Isiro en terug. Hij regelde dingen, zocht mensen als er personeel nodig was, stelde mijn vader voor aan alle hooggeplaatste ambtenaren in Isiro.

De man in de abacost was de directeur van de luchthaven. Een vriendelijke glimlach op zijn gelaat. Ze begeleidden ons door het luchthaven gebouw en brachten ons naar het kantoor van de Directeur, waar we iets te drinken kregen. Mijn vader en G. een glas bier en ik een sucré.

“Ondertussen zal ik voor de afhandeling van jullie bagage zorgen” Roger en de Belg verlieten het kantoor. Mijn vader praatte wat met de Directeur. G. en ik keken rond in het kantoor. Posters van Scibé Zaïre, Air Zaïre en SABENA tegen de muur, daarnaast een kast met glazen deuren waarin enkele Afrikaanse beelden stonden. Achter de zetel waarin de Directeur zat, twee grote vensters met lichte vitrage, die uitzicht gaven op de parking, waar het krioelde van de mensen. Vrouwen met zakken op het hoofd, een kind aan de hand. Mannen die karren met nog meer zakken verder duwden.  In de verte en jongen van ongeveer mijn leeftijd. Met één hand hield hij een metalen schaal vast, die zich op zijn hoofd bevond. Wat erin zat kon ik niet zien. Achter de parking, hoog gras en bomen.

Twee zachte klopjes op de deur. Roger kwam binnen.

“Uw bagage staat in de wagen. Wanneer u klaar bent, kunnen we vertrekken.” Hij gaf de directeur een hand, bedankte hem voor de hartelijke ontvangst en stapte het bureau uit. We deden hetzelfde. De man wreef over mijn hoofd, zei iets dat mijn vader deed glimlachen.

Roger ging ons voor naar de lange witte Nissan Jeep, die op de parking voor het luchthavengebouw, in de schaduw van een mangoboom, geparkeerd stond. Ik keek naar rechts en zag de vensters van het kantoor van de directeur. Hij had de vitrage opzij geschoven en keek in onze richting.

De enkele mannen die bij de wagen stonden te praten, werden aangemaand om onze handbagage te nemen. Een van hen opende het portier voor mijn vader en G. Ik stapte achteraan in.

Vanuit de lucht leek Isiro een rode baksteen die lukraak in het grote groene grasveld was gedropt, met hier en daar wat bloedrode aders die uiteindelijk werden opgeslorpt door dat grasveld.

Roger zette zich aan het stuur, startte de wagen. De radio sprong aan. Een schelklinkend vrolijk deuntje vulde de auto. We reden over een pas aangelegde macadam weg die een grote bocht maakte naar een muur van hoog gras. Zodra we deze muur waren binnen gereden, vertraagden we en reden van de ene put in de andere.

“We hebben hier geen wegenwerkers, maar puttenvullers. Niet lang geleden was deze weg redelijk plat, maar met de regen van de voorbije weken merk je er niets meer van. De puttenvullers kunnen weer van voren af aan beginnen. De officiële naam van de wegenwerken is ‘L’office des routes’, wij noemen het ‘L’office des trous’!” Roger schaterde het uit. “Normaal is het maar vijfenveertig rijden naar het huis, maar door de staat van de weg zal het ons minstens een uur duren. De regen van gisteren heeft lelijk huisgehouden…” Ik keek met grote ogen door het raampje. Kleine kindjes die langs de wagen liepen en ons dingen toeriepen.

“Pap, vraag eens aan Roger wat die kinderen roepen?”

“Mundele”, antwoordde mijn vader. “Blanke.” Ik wuifde naar de kinderen, waarop zij stil bleven staan en terug wuifden.

“Die kinderen zien natuurlijk niet elke dag een blanke voorbij rijden. Je ziet dat ze allemaal een wit hemd en een blauwe broek of rok dragen? Dat is het schooluniform. Zodra rijden we voorbij de lagere school van deze buurt. Hier aan je rechterkant, dat rechthoekige gebouw met die rode aarden muren en dat rieten dak, zie je dat monsieur Stefan? Dat is de school van deze buurt. Er zijn kinderen die elke dag een uur, soms twee moeten wandelen om hier te geraken. Zoiets zal je in België niet hebben zeker? Iedereen rijdt bij jullie toch met de auto, niet?” Mijn vader legde uit dat het er bij ons anders aan toeging, maar dat niet iedereen een auto had. Sommigen gingen met de bus of met de fiets.

“Met de bus? Die heb je hier ook, langs de kant van de weg, helemaal leeg gehaald! De zetels zie je hier en daar op het erf bij de mensen van de cité staan, als relaxstoel!” Schaterlach.

Enkele weken voordien nam mijn vader me mee naar dé uniformen speciaalzaak in Antwerpen, een winkel aan het Sint Jansplein die alle uniformscholen van de Stad voorzag van de correcte kleding, om mijn uniform aan te schaffen. Op de scholen waar ik tot dan toe gezeten had, kon je dragen wat je wilde, zolang het maar niet te aanstootgevend was. Die ene jongen die op een dag volledig in new wave style – zwart haar, zwarte kledij, puntschoenen en zwarte lippenstift – de school binnenwandelde, werd vriendelijk verzocht terug naar huis te gaan om zich ‘deftig’ te kleden. Die jongen heb ik nadien niet meer op school gezien. Nu zou ik in het midden van Afrika op een uniformschool terecht komen. Het kwam me allemaal wat intimiderend over.

“Ha de rotonde! We zijn bijna aan het huis.” De weg lag er heel wat beter bij, toch reed Roger nog steeds traag. Nu waren het volwassenen die langs de weg naar ons wuifden. Hier en daar zag je stenen huizen opduiken. Rogers arm hing nonchalant uit het venster en hij keek met een heel serieuze uitdrukking naar de voorbijgangers, zijn bril bijna op de top van zijn neus geschoven.

“Monsieur Jean-Louis, we brengen jullie eerst naar jullie residentie, alwaar we een welkomstdrank ter uwer gelegenheid zullen nuttigen. Nadien laten we jullie bekomen van de hobbelige reis. Rond de middag heb ik een tafeltje besproken in het restaurant Ambassade, alwaar we een welkomstmaaltijd kunnen nuttigen. Vindt u het ok dat we u rond een uur of twaalf komen oppikken?” Mijn vader vond het ok.

Ondertussen waren we op de Avenue Mambaya toegekomen, ons thuisadres. De weg naar de luchthaven leek een platte boulevard, in vergelijking met deze weg. Ik denk dat we niet vlugger reden dan vijf kilometer per uur.

“Geen zorg Madame G. Dit is de ‘omweg’ om tot bij jullie huis te geraken. Normaal gezien rijden we binnen via het domein van Monsieur Demeris, de Griekse huisbaas. Die weg tonen we jullie later wel.”

Waarom reden we dan nu via deze weg, vroeg ik me af? Later zou ik horen dat het modieuzer was om te vertellen dat de nieuwe baas met familie via de ‘avenue’ naar hun ‘residentie’ waren gevoerd, in plaats van via ‘de achterdeur’.

We stopten voor een groene aftandse metalen poort die een hels lawaai maakte wanneer ze werd geopend.

“Merci Rafaël!” zei Roger, half door zijn venster leunend. Hij moest extra gas geven om de wagen het hoger gelegen ‘domein’ binnen te rijden, direct links afslaan om zo rond het huis te rijden. Aan de achterzijde kwam de wagen tot stilstand. Ik reikte met mijn hand naar de handel om de deur te openen, toen ze met een gezwinde zwaai open vloog.

Ons huis in Isiro

“Bonjour Patron, soyez la bienvenue!” Een man in een wit hemd, een blauwe keurig gestreken broek en sandalen lachte me enthousiast toe.

“Merci” was het enige wat ik kon uitbrengen. Ik stapte rond de auto en zette me tussen mijn vader en G. Voor ons stond een rij van wel tien man enthousiast te applaudisseren. Roger kwam naast mijn vader staan en stelde de mensen één voor één aan ons voor. Handen schudden. Troepen schouwen. Vervolgens liep Papa, waarvan ik ondertussen wist dat hij de persoon was die onze was en strijk zou doen, in het huis om een plateau met glazen en later met bier en sucré naar buiten te brengen en op de klaarstaande tafel te zetten.

“Iedereen een glas jongens? Monsieur Jean-Louis? Madame G.? Monsieur Stefan? Goed dan toasten we op hun goede aankomst en op de geweldige samenwerking die er staat aan te komen! Op de partij MPR en de gezegende firma MPZ! Iedereen heffe het glas!

MPR Oyé!”

“Oyé!”

“MPZ Oyé!”

“Oyé!”

“Monsieur Jean-Louis Oyé!”

“Oyé!”

“Madame G. Oyé!”

“Oyé!”

“Monsieur Stefan Oyé!”

“Oyé!”

“Hey!!” Iedereen keek verbaasd naar een van de mannen in de rij, in een geel hemd, die net zijn glas in een gezwinde beweging over zijn schouder had leeg gekieperd.

“Maar Assumani, wat doe je nu?” Roger kijkt hem streng aan.

“Ah, en tout cas, ik dacht dat dit de gewoonte was en ik was enthousiast en al …”

Hilariteit alom.

Mijn grootmoeder zei altijd:”Den opkom is alles, jongen”, waarmee ze bedoelde dat de eerste indruk altijd bij blijft. Altijd.

Het programma van de dag, genoteerd door Roger

Ella, elle l’a, France Gall

30/05/19 Kaya

“Schuif een beetje op, ze wil tussen ons zitten.” 

Ik volg Roger’s instructie op. Een meisje van een jaar op 20 zet zich tussen ons in. Ik kijk haar aan. Ze glimlacht. Ze zegt iets, maar ik begrijp haar niet. De schelle salsamuziek. Ze drukt haar lippen tegen het oor van Roger. Hij tikt op mijn bil: “Ze vindt je wel een mooie jongen. Ze wil met je dansen.” Hij roept het uit, zodat ik het zeker hoor. Gelukkig dat de ruimte enkel verlicht is met draaiende spots die rood licht geven, zo lijkt het alsof iedereen bloost, niet enkel ik. Mijn lichaam voelt als lood. Niet dat ik niet wil dansen, ik houd er wel van. Voor ik me nog verder kan verschuilen achter mijn 15 jaar, springt ze recht, neemt me bij de hand en trekt me mee de dansvloer op. Een loden lichaam beweegt niet zo soepel, terwijl dat een van de belangrijkste eigenschappen is van de dans die je hoort uit te voeren op het Afrikaanse nummer dat net begint te spelen. Gelukkig is het een dans waarbij je op je eigen kan bewegen. Je hoeft elkaar er niet voor aan te raken. De belachelijke krampachtige grijns op mijn gezicht krijg ik niet weg gedanst. Ze doet haar best om me bij haast elke heupbeweging, per ongeluk aan te raken. Ik ben verzeild geraakt in een rituele paringsdans besef ik plots. Ik doe teken dat ik dorst heb en ga snel terug op het bankje zitten. Ze zet zich opnieuw tussen ons in. Roger spreekt haar aan, doet een beweging met zijn handen, net om haar te tonen hoe groot de vis wel was die hij vandaag gevangen had. De hand die ik vervolgens over mijn dij voel wrijven, is veel fijner dan een mannenhand. Ik spring recht. Ze schrikt, lacht lief en legt haar hand terug op haar eigen schoot. Daar sta ik. Ze denkt dat ik terug wil dansen, maar voor ze de tijd heeft om ook op te staan, neem ik Roger bij de arm beet en trek hem mee richting toilet.

“Wat is hier allemaal aan het gebeuren?” Ik kan haast niet meer op mijn benen staan van het lachen. Roger lacht guitig mee.

“Vind je haar niet mooi?” Natuurlijk vind ik haar mooi, maar het gaat allemaal zo een snel. In België had ik wel eens meisjes gekust, maar de vaart die het hier neemt is me teveel van het goede. Roger komt nu helemaal niet meer bij.

“Weet je wat ik haar vertelde? Ze vroeg me of je ervaring had. Ik zei haar:’Weet je wel hoe groot hij geschapen is? Met zo’n spel moet je wel ervaren zijn!” Dat ik haar verder niet meer ontmoet heb, had ik zelf zo geregeld. Onze sentinelles (Papa, Asumani…) gaf ik duidelijke instructies: zeg haar dat ik niet thuis ben. De vijfde keer gaf ze een briefje aan Asumani. Dat was het laatste wat ik van haar hoorde.